Alleen kwaliteit heeft bestaansrecht


Van Mense Ruiter zijn er op deze website nog een aantal verhalen te vinden:



Het is een echt jubileumjaar in de orgelmakerswereld. Besteedden we in het vorige nummer aandacht aan het veertigjarig bestaan van de firma Klop, dit keer is het de beurt aan Mense Ruiter Orgelmakers BV.
Mense Ruiter begon in 1931 een eigen bedrijfje in Groningen, het bedrijf bestaat dus 75 jaar.


Sinds 1977 is de orgelmakerij gevestigd in Zuidwolde, een dorpje onder de rook van de stad Groningen. Directeur Jan Veldkamp ontvangt me daar en verontschuldigt zich meteen dat mede-directeur Dolf Tamminga verstek moet laten gaan. De klus waarmee Tamminga bezig was vroeg meer tijd dan gedacht, dus hij kon niet op tijd terug zijn. Na een korte rondleiding door de werkplaats nemen we in de tuin plaats onder de appel- en perenboom. Met de onafscheidelijke pijp in de hand blikt Veldkamp terug op 75 jaar Mense Ruiter. En hij kijkt voorzichtig vooruit naar de toekomst.

Mense Ruiter Orgelmakers wordt dus geleid door een tweemanschap: Dolf Tamminga en Jan Veldkamp. Tamminga werkt al sinds 1977 bij Mense Ruiter. "Ruiter was in 1971 bezig met de restauratie van het orgel in de vrijgemaakte kerk van Schildwolde [Mart Vermeulen 1916, WJC]. Dolf zat daar op muziekles en mocht van de orgelleraar bij het orgel kijken. Dat orgelmakersvak leek hem wel wat. Dus vroeg Dolf aan Mense Ruiter of hij bij hem mocht komen werken. 'Maak eerst je school maar eens af', zei Ruiter, `dan zien we wel weer verder.'
Dat heeft Dolf gedaan, en daarna is hij bij Mense Ruiter in dienst gekomen." Overigens was Ruiter toen al geen directeur meer, hij droeg in 1974 de leiding over aan Jan Holthuis.

Zelf is Jan Veldkamp in 1980 door Holthuis binnengehaald als mededirecteur. "Toen Jan Holthuis in 1990 wegging heb ik Dolf gevraagd of hij samen met mij het bedrijf wilde leiden. We vullen elkaar namelijk prima aan. Dolf is meer van de techniek, maakt de ontwerpen en schrijft de offertes. Ik ben meer van de klank. Besprekingen doen we altijd samen." Lachend: "Dolf houdt me dan bij de les, ik wil nog wel eens uitweiden.


Tietje en Mense Ruiter


Vliegtuigbouwer
Mense Ruiter bleef het bedrijf tot aan zijn dood in 1993 met belangstelling volgen, en Jan Veldkamp heeft lange gesprekken met Ruiter gevoerd. Hij diept dan ook de ene na de andere anekdote op uit het leven van Mense Ruiter. 'Een deel van zijn jeugd bracht Ruiter door in Steenwijk. Hij was gek op het orgel in de grote kerk. De familie Ruiter was gereformeerd, en als dan 's zondags de dienst in de gereformeerde kerk afgelopen was, dan rende Mense naar de Grote kerk om daar het orgel [P. van Oeckelen 1861, WJC] nog even te kunnen horen. Ruiter zei wel eens: `Ik had ook vliegtuigbouwer kunnen worden, maar door het orgel in Steenwijk ben ik orgelbouwer geworden'.'
Een ander orgel dat diepe indruk op Mense Ruiter heeft gemaakt, was het Hinsz-orgel in de Petruskerk van Leens. Jan Veldkamp daarover: 'Toen de familie Ruiter naar Groningen verhuisde, dat was nog voor de oorlog, struinde Ruiter per brommer de provincie af. Zo kwam hij ook in Leens terecht en dat orgel maakte zoveel indruk op hem, dat hij thuisgekomen tegen zijn vader zei: `Ik heb nu een orgel gehoord, ongelofelijk!!! Het klonk zoals wanneer je een zak met zilveren guldens en rijksdaalders op een marmeren tafel laat vallen, zo helder!''

Ruiter was als orgelmaker grotendeels autodidact. Wel heeft hij een tijdje bij de Groningse orgelmaker Doornbos gewerkt en hij heeft Standaart geholpen bij de bouw van het orgel in de Jeruzalemkerk te Groningen. Een echte opleiding zat er niet in, en geld om als voluntair aan de slag te gaan was er ook niet. Uiteindelijk begon hij in 1931 een eigen bedrijfje in de stad Groningen.

Nieuwe orgeldenken
Jan Veldkamp spreekt met warmte en waardering over Mense Ruiter. 'Samen met Flentrop, De Graaf en Van Leeuwen behoorde hij na de oorlog tot de pioniers van het nieuwe orgeldenken. Ruiter was een vurig aanhanger van de neo-barok. Daarin heeft hij overigens een hele ontwikkeling doorgemaakt. Het orgel van de Maranathakerk in Den Haag [1952], een van zijn beroemdste instrumenten, is eigenlijk heel klassiek van makelij. Een paar jaar later gebruikte hij bij het orgel van de Filadelfiakerk in Groningen [1960, nu in de Gereformeerde kerk Hurdegaryp] veel meer nieuwe technieken: beweegbare ladenbodems, metalen mechaniek, dat soort dingen.' Overigens was Mense Ruiter het niet overal mee eens. Toen Veldkamp hem op een goed moment vertelde dat hij bij een kleine herintonatie van het orgel in de Haagse Maranathakerk de voorspraak bij de fluiten had weggehaald, verzuchtte Ruiter: 'Gelukkig maar, ik was het daar vanaf het begin al niet mee eens, maar de commissie wilde het zo.'
'Als restaurator was Ruiter echt een kind van zijn tijd. Hij bewonderde de prachtige historische orgels, maar net als alle andere orgelmakers 'verbeterde' hij die instrumenten ook. Als de Quintadeen op het hoofdwerk stond en de Roerfluit op het rugwerk en Ruiter vond dat het andersom moest, dan deed hij dat gewoon.' Verder benadrukt Veldkamp dat Mense Ruiter een echte uitvinder was. 'Net als veel andere orgelmakers ontwikkelde Ruiter een eigen sleepsysteem. En omdat hij van een strakke wind hield ging hij op zoek naar een systeem om dat voor elkaar te krijgen. Soms ging hij wel eens te ver in zijn vernieuwingsdrift. De ontwikkeling van een eigen methode om platen te gieten is bijna zijn ondergang geworden. Al zijn geld stak hij in de orgelmakerij.'

Het team van Mense Ruiter Orgelmakers BV, staand v.l.n.r. M. Veldkamp-Warringa, D. Tamminga, M. Hellinga, R. Hosper, M. de Vreugd, A. Woensdregt, J. Veldkamp; zittend v.l.n.r. D. Tamminga, G. Westra, B. Veger


Zakelijk
Uit het verhaal van Jan Veldkamp komt naar voren dat Mense Ruiter eigenlijk maar een grote tekortkoming had: Ruiter was absoluut niet zakelijk ingesteld. 'Als zijn vrouw Tietje er niet was geweest, dan was het bedrijf zeker niet blijven bestaan. Zij deed alle correspondentie en de boekhouding en zij hield haar man bij de les. Van Ruiter hoorde ik trouwens dat hij begin jaren zestig heeft overwogen om met het bedrijf van Dirk Andries Flentrop te fuseren. Flentrop kon dan de zakelijke kant voor zijn rekening nemen, en dan kon Ruiter mooie orgels maken. Het grappige is dat Flentrop diezelfde gedachte heeft gehad, dat heeft de chef-intonateur van Flentrop me destijds verteld, maar ze hebben dat nooit van elkaar geweten. Van een fusie is het nooit gekomen. Ruiter vond dat Flentrop net iets té zakelijk was, terwijl Flentrop vond dat Ruiter niet zakelijk genoeg was.'

Zoals gezegd trad Mense Ruiter in 1974 terug als directeur en werd opgevolgd door Jan Holthuis. Deze wisseling van de wacht vond plaats op een belangrijk keerpunt in de orgelbouw. Jan Veldkamp daarover: 'De historische beweging kwam op in die tijd, niet alleen in de orgelbouw maar ook in de oude muziek. Denk maar aan mensen als Leonhardt en Brüggen. Holthuis heeft de historiserende richting ingezet. Een van de eerste tekenen daarvan is bijvoorbeeld het snijwerk bij het orgel van De Hoeksteen in Drachten [1976]. Ruiter vond dat helemaal niks. Hij heeft ook nooit begrepen dat we weer grote balgen naar historisch voorbeeld gingen bouwen. Dat vond hij maar verspilling van hout en leer. Bovendien hield hij niet van een bewegende, levendige wind. `Wil je de wind laten bewegen, dan zet je de tremulant maar aan,' zei Ruiter dan.' Jan Veldkamp omschrijft de periode na het terugtreden van Ruiter als een tijd van zoeken. 'Zeker vanaf 1980 zijn we een jaar of tien op onderzoek geweest. We hebben uitstapjes gemaakt naar verschillende historische voorbeelden. Dat is een belangrijk leertraject geweest. Uiteindelijk zijn we in 1989 bij Freytag uitgekomen: die orgels vonden we mooi. En je kunt er zowel met barok als met romantiek op uit de voeten, want Freytag leefde op het knikpunt van Barok naar Romantiek. De lijn van Freytag hebben we lang vastgehouden, de laatste jaren drijven daar weer een beetje van weg. Maar een aantal elementen, zoals bijvoorbeeld de kanalisatie en de maatvoering van de mechaniek, windladen en pijpwerk houden we erin. We zijn tenslotte een noordelijke orgelmakerij.'

Magere jaren
Over de toekomst van de orgelbouw in Nederland is Jan Veldkamp niet echt vrolijk gestemd. Op de vraag hoe het met de bouw van nieuwe orgels staat antwoord hij kort maar krachtig: 'Slecht.' Om meteen daarna vol vuur te vertellen over een spannend project dat op stapel staat. 'We hebben onlangs een heel mooie opdracht binnengehaald. Een reformatorische school in Apeldoorn wilde graag een orgel hebben. We kregen een briefje met een dispositie en de vraag: Wat kost dat? We hebben een offerte uitgebracht, maar een nieuw orgel bleek uiteindelijk toch te duur te zijn. In een gesprek hebben we de mogelijkheden verder verkend. Een tweedehands instrument was geen optie, want de plek waar het orgel zou moeten komen te staan was nogal lastig. Er komt niet snel een orgel beschikbaar dat daar zou passen. Toen bedachten we: het is een school waar houtbewerking, techniek en dat soort vakken worden gegeven. Zouden de leerkrachten en leerlingen geen bijdrage kunnen leveren? Dat bespaart kosten en het is een leuk project. Een groep leerkrachten is in de werkplaats wezen kijken en we hebben ze ons orgel in Enter laten zien. Ze schrokken van de complexiteit en kwaliteit die bij orgelbouw geëist wordt, maar ze waren ook zeker enthousiast. Een paar klassen gaan aan het project meewerken, als alles meezit is het orgel in 2009 klaar.'


Jan Veldkamp intoneert de frontpijpen van het in 2005 opgeleverde orgel in de Evangelisch-Lutherische Bethlehem-Gemeinde te Meppen (Duitsland).



Een medewerker van Mense Ruiter is bezig met de klavierrestauratie van het Van Oeckelen-orgel (1864) te Noorddijk.



Een medewerker van Mense Ruiter plaatst een van de pijpen van de Bourdon 16 in het gerestaureerde orgel te Noordwolde (1649)

Ook op restauratiegebied voorziet Veldkamp magere jaren. Door de nieuwe Brim-regeling kunnen er tot 2008 geen nieuwe restauratiesubsidies worden aangevraagd bij Monumentenzorg. En pas vanaf 2011 komt er vanuit die hoek weer geld beschikbaar. Desondanks blijft Veldkamp positief: "We moeten kwaliteit blijven leveren, want alleen kwaliteit heeft bestaansrecht. En het is belangrijk om bij te houden wat er in de muziekwereld gebeurt." Veldkamp geeft aan het jammer te vinden dat er zo weinig nieuwe muziek voor orgel wordt gecomponeerd. "Ik zou zo graag samen met organisten en componisten op weg willen gaan. Er is altijd beïnvloeding over en weer geweest tussen orgelmakers en musici. Dat is helemaal verdwenen, en dat zou eigenlijk weer terug moeten komen. Ook de kerken zouden daarin een belangrijke rol spelen door goede kerkmuziek te laten componeren en uitvoeren. Dat zou kunnen bijdragen aan de redding van het orgel in Nederland. Verder juich ik natuurlijk initiatieven zoals Luchtkastelen en Festival Voor de wind toe. Niet voor niets zijn wij hoofdsponsor van het Nationaal Improvisatieconcours in Zwolle."
 

Veldkamp vindt het jammer dat er geen vervolg is gekomen op het zogeheten MIDI-orgel in de roomskatholieke kerk van Maurik. De firma Mense Ruiter plaatste daar in 1998 'hun eigen' orgel, afkomstig uit de Groningse Regenboogkerk. Bijzonder was dat het instrument daarbij op verzoek van de organist werd voorzien van een aanslaggevoelig MIDI-OUT-systeem. Daardoor ontstaat de mogelijkheid pijporgelklank te vermengen met elektronische geluiden. Veldkamp daarover: 'Het was een spannende tijd waarop ik met veel plezier terugkijk. Ik had gehoopt dat het idee verder opgepakt zou worden, maar dat is niet gebeurd. Er was trouwens ook veel kritiek, mensen beschuldigden ons ervan dat we een elektronisch orgel bouwden. Dat was natuurlijk absoluut niet het geval. Ik sta er nog steeds achter, ik vind dat elektronische klanken een stimulans kunnen zijn in de muzikale expressie van het pijporgel. Helaas is er onder organisten weinig belangstelling voor dit soort ontwikkelingen. Daar kan ik me wel eens over opwinden.'

Open huis
Op de website van Mense Ruiter Orgelmakers BV staat al tijdenlang op de jubileumpagina de melding: `Binnenkort meer nieuws over de festiviteiten rond ons 75-jarig jubileum'. Als ik Jan Veldkamp daarop wijs, reageert hij: "Daar gaan we heel snel wat aan doen." Gevraagd naar de plannen, vertelt hij: "We zijn bezig met het uitbrengen van een cd waarop vier organisten acht van onze orgels bespelen; vier nieuwe en vier restauraties. En verder houden we op 21 oktober open huis. De mensen kunnen dan in de werkplaats rondkijken en ze kunnen de recent gerestaureerde orgels van Noordwolde en Noorddijk bespelen. We hadden overigens eerst nog veel meer plannen, maar die bewaren we wel voor ons honderdjarig bestaan."  

W.J. Cevaal  



Opmerkingen? Foutje gevonden?   Opmerkingen?
Meld het via het reactieformulier!
Het navolgende artikel stamt uit het augustus/september-nummer van Muziek & Liturgie, waarvan Ali Douma  mij een kopie opstuurde.
Ik heb het artikel met toestemming van de hoofdredacteur en de auteur W.J. Cevaal hier gereproduceerd, waarvoor mijn hartelijke dank.



Familieverhalen


Streekgeschiedenis


Wetenswaardigheden


Film & Video