Van een ijsschots gered


Telegraaf, 25 januari 1933

MOEDIGE DAAD VAN VIER VISSCHERS.

Moeilijke tocht in roeibootjes tusschen ijsschollen om hun kameraden te redden.
BANGE UREN IN IJZIGE KOUDE.

(Van onzen correspondent)

BLOKZIJL, 25 Jan. — Zooals wij reeds gemeld hebben, zijn drie spieringvisschers op een ijsschots afgedreven. Na een uiterst  moeilijken tocht wist men de visschers te bereiken en behouden thuis te brengen.
      Toen wij op den dijk tusschen Vollenhoven en Blokzijl kwamen, zagen wij reeds de ijsvlet uit Vollenhoven met zeil omhoog en bemand door visschers op de schaatsen in de richting van Blokzijl trekken. Van den wal af konden wij duidelijk waarnemen dat deze menschen met moeilijkheden hadden te kampen en slecht opschoten. Langs den dijk stonden overal groepjes belangstellenden en nieuwsgierigen te kijken en heel Blokzijl was uitgeloopen om naar de moeilijke reddingspogingen van het havenhoofd af te kijken. Wij vernamen dat per kijker was waar te nemen dat deze visschers aan boord van twee vaartuigen waren genomen en dat deze in de richting van het strand voeren.
      Ter spieringvangst waren vanmorgen met een slede uitgegaan de gehuwde visschers Riekent Vis. Marten Geurs Czn., en Marlen Geurs Hzn., allen te Blokzijl woonachtig. Zooals bekend is het IJselmeer tot enkele meters uit de kust met een dikke ijslaag bedekt en oefenden de visschers daarop hun beroep uit. Omstreeks tien uur was een ingezetene van Blokzijl op het havenhoofd en zag daar dat het ijs afscheurde en snel afdreef. Hij holde naar Blokzijl terug en maakte daar alarm. Alles ijlde naar den havendijk, waarheen ook een wagen werd getrokken, daarop werd een groote roeiboot geplaatst met slechts één riemblok; en door twintig personen getrokken ging het naar het strand, over het ijs, totdat de boot het water had bereikt. Ook een tweede kleine roeiboot werd ten slotte uit de haven gebracht, over den havendijk gesjord en eveneens te water gelaten. De eerste boot was bemand met S. Ruiter en N. Zandbergen, de tweede boot met P. Ruiter en J. Regeling.
Van den wal af werd met angst en bewondering de moedige daad der jongelieden gevolgd. Daar de ijsschol met de visschers erop ongeveer twee kilometer was afgedreven en de zee zeer hol stond, was het een zware karwei voor de jongens. Duidelijk was te zien dat de kleine vaartuigjes water over kregen en een moeilijken strijd tegen golven en ijsschollen hadden te voeren.

      Doch onversaagd werd de tocht voortgezet. Ten slotte wisten de beide bootjes, die op ongeveer vijftig meter van elkaar voeren, door de talrijke ijsschotsen heen te komen en aan de wegdrijvende ijsschots te meren. De drie visschers, de slede en de netten werden aan boord genomen en men aanvaardde vervolgens de terugreis, waarbij het kleine bootje de groote boot op sleeptouw moest nemen aangezien met den vaarboom geen grond was te halen.

De terugtocht
      Toen men de vaartuigen zag terugkeren, holden velen, waaronder de burgemeester, de heer Bulten, naar het strand. De terugtocht met de thans zwaar beladen bootjes was wel verre van gemakkelijk, doch tegen halftwee waren redders en geredden weer op het vaste ijs gekomen, waar de burgemeester de geredden gelukwenste en den moedigen redders hulde bracht voor hun kloek en vastberaden optreden. Allen zaten, zooais begrijpelijk Is, dik onder het ijs en ook de booten waren met een stevige ijslaag overdekt. Met gejuich werd de schare te Blokzijl ontvangen.
      Nadat zich in Blokzijl de mare verspreid had dat er visschers op een ijsschol van de kust waren gedreven en in nood verkeerden, was terstond hulp en assistentie gevraagd van de Lemster-reddingboot en voorts aan de visschers van Vollenhoven. Uit Lemmer kon men echter geen hulp verleenen, daar de boot niet buiten kon komen. Te Vollenhove bracht men de ijsvlet naar buiten en trokken 16 visschers er op uit. Herhaaldelijk zakte de zware boot door het ijs; zij werd er evenwel telkens weer opgeheschen en voorwaarts ging het weer.
Langzaam vorderden deze kloeke zeerobben. Ten slotte hadden zij de menschen aan den wal naar het strand zien hollen, waardoor het hun duidelijk werd dat de redding reeds was gelukt en hun pogingen niet meer van noode waren, waarop de mannen de vlet lieten liggen en per schaats naar Blokzijl reden om wat meer over het gebeurde te vernemen en voorts redders en geredden geluk te wenschen. Ook deze mannen verklaarden ons dat het een kunststuk was geweest om met die gebrekkige bootjes bij zoo'n woeste zee ter redding uit te varen. Wanneer de wind iets had opgestoken, zouden de redders zeker den dood in de golven gevonden hebben.

Afgedreven.
      Later op den middag hadden wij een onderhoud met een der gebr. Vis. Deze vertelde ons dat zij des morgens om negen uur ter splerinsvangst waren vertrokken.
      Op ongeveer 1500 meter uit de kust waren wij bezig met het hakken van bijten in het ijs voor de netten, aldus vertelde Vis ons, en wij hadden reeds acht van de tien netten uitgezet, toen wij plotseling de netten in de richting van de kust zagen verdwijnen. In eens bemerkten wij toen een scheur in het ijs. Wij liepen direct den kant uit ln de richting van de kust. Op dat oogenblik was de scheur echter al vijftig meter breed geworden. Wij haalden de netten weer op. Toen zagen wij dat wij op een groote ijsschol stonden en met groote snelheid in de richting Urk—Schokland afdreven. Door middel van een zak, die aan een stok gebonden werd, gaven wij noodseinen. Eerst na verloop van drie kwartier zagen wij iemand op den havendijk hard in de richting Blokzijl loopen en wij begrepen dat men het gevaar, waarin wij verkeerden, aan den wal had bemerkt.
Hoewel wij snel afdreven, konden wij niettemin zien dat van den wal af reddingspogingen in het werk werden gesteld. De zee was tusschen den wal en de ijsschol intusschen zeer ruw geworden. Weldra zagen wij een tweetal bootjes, dat tusschen de ijsschollen ronddobberde en op de hooge golven veel moeite had om ons te bereiken en hulp te bieden. Wij waren onderwijl zeker wel 2000 meter van de kust afgedreven en de vaartuigjes, die wij in de verte zagen worstelen om ons te helpen, vorderden slechts langzaam. Doch toen wij hen al meer en meer zagen naderkomen werden wij weer geruster.
      Met levensgevaar trotseerden de opvarenden van de bootjes het dreigende gevaar en zij ploeterden voorwaarts, totdat ten slotte de grootste boot aan den afgescheurden kant meerde. Even later kwam ook het tweede schuitje. Wel is waar waren wij toen van de ijsschol gered, doch we waren intusschen nog lang niet veilig aan den vastewal. Met veel moeite gelukte het echter de beide bootjes weer van den kant van de afgescheurde schol naar de kust te brengen, waar burgemeester en veldwachter met vele ingezetenen ons verwelkomden. Het was een knap stukje werk geweest van deze vier jongemannen. De netten van vandaag, zoo ging Vis verder met zijn relaas, hebben wij nog weten te redden, doch die van gisteren, een twintigtal, die wij hadden uitstaan, zijn verloren gegaan.
      Dat het een paar bange uren waren geweest ook voor de familieleden, die aan den wal waren achtergebleven, gaf de echtgenoote van den visscherman ons grif toe.

Bescheiden redders.
      De redders waren wel wat erg bescheiden en eerst na veel moeite en herhaaldelijk aandringen bereid een en ander te vertellen over hun moeilijken en kouden tocht door het ijs en het water. Zij beschouwden het blijkbaar niet als zoo bijzonder belangrijk wat zij verricht hadden. De redders waren geen visschersmenschen, maar niettegenstaande dit, goed op het water thuis. In hotel Van Ens spraken wij de gebroeders Ruiter en J. Regeling. De gebroeders vertelden thuis te hebben gezeten toen zij plotseling hoorden dat iemand riep: "De visschers drijven af!" Een van hen greep een hakbijl, rende naar de sluis en begon daar een punter uit het ijs te hakken. De boot, waaraan slechts één roeidolf (d.i. het voorwerp aan den rand van de boot waarin de roeiriem behoort bevestigd te worden) zat, werd op een wagen gezet en deze werd door rappe handen naar het strand getrokken. De boot werd vervolgens op het ijs van den .wagen gehaald en naar open water getrokken, waarna S. Ruiter en N. Zandbergen erin plaats namen.
      — Wij moesten, aldus Ruiter, met een vaarboom deze boot voortbewegen en door de vorst werd die met een ijslaag bedekt, waardoor dus het werk ernstig werd bemoeilijkt. Ook kregen wij veel water over dat direct in ijs veranderde. Het andere bootje was per slede naar buiten gebracht, over het havenhoofd gesjord en wij zagen dit kort achter ons aan ploeteren. Dit schuitje kreeg het. daar het veel te klein en te rank was, zwaar te verantwoorden en wij vreesden al het ergste toen het op een ijsschol voer. Zij hield het gelukkig vol, zij het met moeite.
      — Ja, dat was niet zoo pleizierig, interrumpeerde Regeling. Wij verloren met die manoeuvre althans een riem, dien we echter na veel moeite weer op wisten te pikken.
      — Hoe dichter wij de zware ijsschots naderden, vertelde Ruiter verder, hoe meer last we van het drijfijs en van de schollen ondervonden. Ten slotte slaagden wij erin bij de afgedrevenen te komen: wij namen dezen aan boord van onze bootjes en keerden daarna naar den wal terug.


In de "Hepkema's courant" stond enkele dagen later ook een artikel over deze redding. In dit artikel was een foto opgenomen, waarop de redders en gereddenen zijn te zien. Daarop staan ook de broers Ruiter.
Jammergenoeg zijn de kruisjes op het origineel niet zichtbaar.
Ik houd het erop dat het tweetal rechts op de foto staat, en ik heb daar dan de kruisjes bijgezet.
Klik op de foto voor een grote afbeelding.
Klik op de foto voor een groter exemplaar.

Enige maanden later stond dit stukje in de krant. Ik vraag me af of de medailles nog in de familie zijn?

Naschrift 17/11/2016
Tot mijn verrassing blijkt de foto aanwezig te zijn in het Gildenhuys in Blokzijl! De heer Bergkamp was zo vriendelijk om deze voor mij in te scannen waarvoor mijn hartelijke dank. Hij wist ook te vertellen dat Sijbrand links staat, en Piet rechts; ik heb de namen er bij gezet  : 
Klik op de foto voor een grote afbeelding.



Opmerkingen? Foutje gevonden?   Opmerkingen?
Meld het via het reactieformulier!
In de Telegraaf van 25 januari 1933 staat een prachtig artikel over een heldhaftige redding van vier vissers uit Blokzijl die op een losse ijsschots verzeild raken. Onder de redders bevinden zich de broers S. Ruiter en P. Ruiter. Nazoeken in de stamboom levert inderdaad twee broers op die toentertijd in Blokzijl woonden : Sybrand en Piet Ruiter uit de Blokzijliger Ruiter-tak. Deze tak heeft zich al vóór 1600 afgesplitst van de grote Ruiter-stam en is heel trouw gebleven aan haar geboortegrond.
Sybrand en Piet zijn kinderen van Sijbrand Ruiter en Marrigje Petersen; die vind je hier in de stamboom.
Dit verhaal verscheen eerder in Ruitertje 12.

Het originele krantenartikel. Ik heb de tekst in kolommen naast elkaar gezet.
Klik op de foto voor een grote afbeelding.
Klik op de foto voor een groter exemplaar.



Familieverhalen


Streekgeschiedenis


Wetenswaardigheden


Film & Video