Een duik in de familiegeschiedenis


Mijn vader, jullie grootvader dus, heette Albertus de Ruiter en omdat zijn vader Jochem heette, noemde hij zich naar Fries gebruik altijd Albertus Jochem (spreek uit Joochem). Zijn handtekening A.J. gold echter niet officieel. Hij was bestemd geweest "om door te leren" zoals dat toen heette, maar hoewel hij tot zijn zestiende school gegaan had in de hoop hem alsnog aan de studie te krijgen bereikte hij de vervulling van zijn hartewens en mocht smid worden. Ik denk, dat degenen van het nageslacht, die met een technische knobbel gezegend zijn, dat aan deze grootvader te danken hebben. Smid dus. Maar ambachtsscholen waren er toen nog niet. Je leerde een  vak in de parktijk en als je er wat van onder de knie had, trok je naar een andere plaats om meer en andere ervaring op te doen. Zo werd mijn vader de bekwame vakman, die hij ongetwijfeld was. Zo belandde hij in Katwijk en leerde daar mijn moeder kennen. Hun huwelijksreis ging over de toenmalige Zuiderzee met de nachtboot naar Friesland. Ziek kwamen ze daar aan, want ze kon nu eenmaal niet tegen reizen.
In Munnekeburen hadden ze een smederij en mijn vaders oudste broer woonde daarnaast op een boerderij. Mijn moeder praatte altijd met vel plezier over die oom en tante, die haar veel liefde en hartelijkheid bewezen en hun hele leven lang hebben ze met elkaar gecorrespondeerd.
Na die eerste gelukkige jaren kwam er tegenspoed. Grootvader was gestorven. Toen was er nog geen vuiltje aan de lucht, want hij zat er warmpjes bij. Maar toen mijn grootmoeder de baas werd duurde de rijkdom niet lang. Toen ook zij overleed bleek ze veel te royaal geleefd te hebben, en alles werd verkocht. Oom Jan en tante Ietsje emigreerden naar Amerika, naar Holland Michigan.  Oom Dirk, vaders jongste broer wilde naar Afrika. Ze hebben nog met het hele gezin bij ons ingewoond om op de overtocht te wachten, maar toen brak de Boerenoorlog daar uit en ging de verhuizing niet door. Zij zijn toen in Zuidlaren gaan wonen, waar mijn oom timmerman was. Hij schijnt in het noorden nogal wat stationnetjes gebouwd te hebben voor de Noord Ooster locaalspoor.

Nadat de smederij verkocht was, moest mijn vader werk zoeken. Dat gelukte hem eerst in Haarlem, later in Utrecht en tenslotte in Schoonhoven. Mijn beide zussen waren er toen al. In Schoonhoven zijn jullie vader (Dit is dus mijn vader, Adri) en ik geboren. Jo was toen 4 jaar. Hij had niet veel met mij op. Het eerste wat hij deed, toen hij het nieuwe zusje mocht zien, was mij de muts van het hoofd trekken en er hard mee weglopen. Voor mijn moeder schijnt hij de vurig gewenste zoon geweest te zijn. Voor haar, dat is mij verteld, was hij het zonnetje in huis. Er zat dan ook leven genoeg in. Toen hij 3 jaar was, ging hij net als alle kleintjes toen naar de bewaarschool. Hij heeft daar 6 weken zitten brullen tot felle verontwaardiging van mijn oudste zus, die hem dan naast zich kreeg, totdat de directrice het zat werd en er een eind aan maakte. Dit vertelde mijn zus.
Moeder vertelde, dat hij, toen ze hem na de eerste morgen op de arm naar huis droeg, in de handjes klapte en heel verrukt riep : O vogeltjes, zijn jullie daar ook weer!" Hij is altijd een vrijbuiter gebleven, hij zat liever op een dak dan er onder en er is niet veel kattekwaad geweest dat hij niet heeft uitegehaald.

Uit die kleutertijd is nog een verhaal. In Schoonhoven was er vroeger in de maand september een hele week kermis. De week, die daaraan voorafging gaf onder ons kinderen ook veel plezier. Dan werd alles opgebouwd. Op de Varkensmarkt stond altijd het hypodrom, of zoals wij het noemden, het paardenspul. Op een dag was onze Joop verdwenen. Gewoon nergens in de buurt te vinden waar je zo'n kleuter toch zou zoeken. Eindelijk, het was al donker, vond vader hem hand in hand met twee mannen van het circus. Hij was niet in 't minst onder de indruk van zijn weglopen. Kwam alleen maar niet uitgepraat over die mooie paardjes! De schooljaren kwamen en gingen. Leren ging gemakkelijk en kattekwaad was er genoeg te doen. Met zijn vriend, de zoon van een kweker, die in de Bergambachtse buurt woonde, heeft hij eens alle bruggetjes, die toegang gaven tot de weilanden, afgebroken en in het water gegooid. Voor de boeren, die met de schouw gingen melken was dat niet zo erg, maar de andere waren natuurlijk woedend!
De Varkensmarkt in 1900, dat is ongeveer de tijd waarover het verhaal vertelt . De foto heb ik gevonden op internet.

Aangezien rondom ons stadje alles weiland en sloten was, was slootjespringen natuurlijk aan de orde van de dag. Toen zo regelmatig kwam hij dan ook met een nat pak thuis. Daar kregen we (ik zeg we, omdat ik ook 7 x gered ben) nooit straf voor, zoals onze buurjongens, die dan ook prompt niet naar huis durfden. Bij ons ging dat zo : als de vervelende tocht met je natte pak door de stad volbracht was, omringd door een troep kinderen, die alsmaar "snoek! snoek!" schreeuwden, riepen we aan de achterdeur: "Moe". Moeder scheen onmiddelijk  aan te voelen wat dat betekende. Ze greep meteen een stel schoon ondergoed uit de la en dirigeerde ons naar de schuur voor wasbeurt en verschoonpartij. Op een keer riep mijn broer weer het geijkte "moe!" en vertelde toen met een stralend gezicht : "vandaag hebben we een jubileum." Op moeders verwonderde vraag, wat er dan aan de hand was kreeg ze ten antwoord : "Ik heb vandaag voor de 25ste keer kopje onder gezeten. Aan moeder was zo iets besteed en ze heeft het heel vaak genoeglijk opgehaald. Intussen leerde haar zoon zwemmen. Dat gebeurde in de sloten van de Bergambachtse buurt. Daar werd thuis niet over gesproken, maar ik denk, dat moeder het wel wist maar zweeg om vader, want die was er tegen. Dat kwam zo. Hij en zijn broers gingen vroeger in Wolvega naar school. Dat was tweemaal daags een paar uur lopen. Oom Jan en oom Dirk gingen dan onderweg vaak zwemmen. Mijn vader durde dat niet en omdat ze bang waren, dat hij het thuis vertellen zou, hadden ze hem er een keer met kleren en al ingestopt. 't Gevolg was een zware longontsteking en een hevige afkeer van zwemmen. Maar zoon Jo had niet veel moeite om het te leren. Intussen had hij het zo ver gebracht, dat hij in de Lek durfde te zwemmen. Op een dag kwam iemand, ik weet niet, wie dat geweest is, mijn vader roepen, of hij even op het Hoofd aan de Kat wilde komen. Het Hoofd aan de Kat was de aanlegplaats voor de passagiersboten, die op geregelde uren naar Rotterdam en Culemborg (Kuilenburg zeiden wij) voeren. Niets vermoedend liep mijn vader daarheen. Hij dacht waarschijnlijk, dat er een vracht ijzeren staven was aangekomen, die om de wagenwielen gelegd werden. Da gebeurde wel vaker. Maar wie beschrijft zijn ontsteltenis toen zijn zoon in zwembroek langs hem heen rende en van het Hoofd de Lek insprong. Toen vader wat bekomen was, zag hij toch wel, dat die aap van een jongen er wel wat van kon en dat dit toch in ons waterland toch wel goed van pas kwam.

Later kwam er ook een zwembad. Helaas alleen de meisjes van de elite maakten daar gebruik van en voor de jongens waren er vrije en aparte uren. Zo werd broer Jo lid en bij feestelijke gelegenheden heb ik hem prijzen zien winnen met zwemmen en duiken. Wij zaten dan op de dijk te kijken. Jongens hadden toen veel voor. hij mocht ook naar de gymnastiek en was ook lid van de Knapenvereniging. Ik bewonderde hem erg, hoewel hij me verschrikkelijk plaagde.
Zo heeft hij me wijsgemaakt, dat ik een vondeling was en me in alle ernst de boom in het plantsoen gewezen, waar ik achter gelegen had. Maar als er sneeuw lag, trok of duwde hij de slee en hij reed me ook wel in de sportkar, niet te verwarren met een sportauto. Het was een tweewielig karretje met twee zitplaatsen waar 2 kinderen rug aan rug in konden zitten, die te groot waren voor de kinderwagen. Dat ging dan altijd wel heel hard toe, maar ik had allang geleerd in zijn gezelschap niet bang te zijn.
In Schoonhoven zijn mijn ouders nooit helemaal ingeburgerd. De oorzaak zal wel geweest zijn, dat ze zich noodgedwongen geplaatst zagen in een milieu waar ze niet bij hoorden. Wij waren daar de kinderen van die witte vrouw en die zwarte man. Ik heb mijn moeder nooit anders gekend dan met dat witte haar. De mensen vonden ons erg wild. Dat kwam ook door Jo zijn ogen. Hij miste in zijn ene oog 2/3 van het licht, dat daarin behoorde te zijn en bijgevolg was hij scheel. Nu hoefde maar iemand te zeggen : "schele", dan had je de poppen aan het dansen! In het ergste geval kwamen de klompen er ook nog aan te pas.
Voor mij had dit een prettige kant. Als ik ruzie had, hoefde ik maar te zeggen : "wacht maar, ik zal mijn broer wel even roepen of weg stoof de tegenpartij.

Wordt vervolgd.

In Langelille gingen we wel eens naar Oom Jan en tante Piertje Koopmans, die een dochter Jeltje hadden. Hoe dat familie was weet ik niet. Ze hadden een klein boerderijtje. Dit bezoek was denk ik voor de oorlog, want in 1940 werd onze auto al door de Duitsers gestolen.


Opmerkingen? Foutje gevonden?   Opmerkingen?
Meld het via het reactieformulier!
Van mevrouw A. Vermet - de Ruiter kreeg ik een aantal geschreven bladzijden opgestuurd met jeugdherinneringen van Mien Nijhoff - de Ruiter, zuster van Jochem de Ruiter.



Familieverhalen


Streekgeschiedenis


Wetenswaardigheden


Film & Video