De trekkers


Als de turfmaker het 'sloaten' gedaan had, konden de trekkers, ook wel baggellieden genoemd, aan de slag. Het was hun taak om de veen af te graven en op legakkers uit te spreiden. Ze werden betaald voor het aantal vierkante roeden gespreid veen. Voor het afgraven van het veen waren twee methodes in zwang, afhankelijk van de samenstelling van het veen :

  • Met een soort schep - dit is de methode zoals door Roel Piters de Jong is beschreven. Het veen wordt hierbij in 4 of 5 spitten van boven tot beneden uitgespit. De onderste restanten worden met een baggerbeugel boven water gehaald. De trekker kan hier dus beter een spitter genoemd worden.
  • Met een trekbeugel - deze methode werd in ieder geval in de Kop van Overijssel gebruikt; de heer Kuit uit Ossenzijl maakte mij hierop attent. De trekker haalt het veen in één beweging van onderen uit naar boven. Dit kwam nogal precies. De beugel werd op het zand iets onder in het veen gewrikt en daarna recht naar boven getrokken. De trekker lette erop dat elke volgende trek precies naast de vorige kwam en dat het net aan de beugel precies vol genoeg zat. Dan was het ook weer gemakkelijk in de mengbak te legen. Omdat de trekker de beugel recht naar boven trok zat de eigenlijke beugel onder een kleine hoek aan de steel bevestigd.

Als het 'gladde' veen was, was dit al bijzonder zwaar werk. Maar op sommige plaatsen was het veen verre van glad. Onverteerde plantenresten en zelfs hele boomstronken konden de trekkers behoorlijk opbreken. Het betekende in ieder geval veel extra werk en minder inkomsten.

Het baggeren was seizoensarbeid en de trekkers kwamen soms uit de verre omtrek. Natuurlijk kwamen de arbeiders lopend naar hun werk. Die van ver kwamen waren zondagavond al ter plekke; die gingen dan vrijdagavond 'al' naar huis.
Het seizoen begon vroeg in maart. Als de vorst dan nog terugkeerde, moest het werk weer stoppen - bevroren turven waren niet veel meer waard. Vaak wordt gezegd dat de baggellieden van Pasen tot Pinksteren in de weer waren. In die zes weken moest alle veen voor dat jaar gebaggerd; de turfmaker was dan tot oktober/november bezig met het drogen en klaarmaken voor transport van de turven.
Zelfs tot uit Duitsland kwamen de arbeiders hier baggeren. Nadat het baggeren gedaan was, verhuurden ze zich als maaier bij de boer. Pas na de zomer keerden ze dan naar huis terug.


De werkkleding De trekker droeg de volgende kleding : van boven had hij een vetleren soort jas zonder mouwen aan. Als hij rechts was zat er op zijn rechter schouder een dik stuk leer extra, omdat de beugelstok daar zo'n hele dag langs gleed. Beneden de jas zat een leren schort, dat over de knieën hing, dat was bedoeld om droog te blijven want de trekbeugel ging de heel dag op en neer in het water. Om de heupen hing de 'pietse', dat was een los stuk leer bevestigd aan een brede riem van zo'n 10 cm. breed. De trekker wond deze pietse een paar slagen rond de beugelstok en met zijn onderlichaam trok hij de beugel omhoog. Bij mooie gladde veen lukte het soms ook met alleen de handen. De beugelstok was wel tot 5 meter lang, niet zozeer omdat het veen zo diep zat, maar vooral om een flink contragewicht te hebben. De omhooggewerkte veen woog wel tot 25 kilo, en die werd met een zwaai over het dijbeen heen in de bak gekieperd.
Volgens dhr. Kuit zat het veen in de Kop van Overijssel vrij diep, zo'n halve meter onder water. Dat maakte het omhoogspitten hier onmogelijk. In de buurt van de Wetering was dat wel mogelijk. De hoeveelheid veen die op deze wijze naar boven gehaald werd, was beslist niet minder dan met de schep.


De mengbak De mengbak was een houten vierkante bak van circa 2 bij 2 meter en schuine randen tot 40 cm hoog. Opvallend was dat de kant die langs de trek stond een rechtopstaande rand had. Dit was gemakkelijker voor de spitter/trekker, want die stond meestal op een plank dwarsover de trek. De schuine kanten vergemakkelijkten het uitscheppen van de specie. Zoals verderop wordt uitgelegd heeft het voordelen om niet met de bak maar met een bok te werken. Dan kan alle veen in een perceel weggebaggerd worden. Met een bak dient de wal langs een trek automatisch als legakker.


De trekkersbok Een trekkersbok was een soort praam van ongeveer 10 meter lang en circa 2.50 m. breed. De bok was in drieën verdeeld. Het middelste stuk van ongeveer 8 meter bij 2.50 meter was de laadruimte. De wanden waren ongeveer 60 cm hoog. De voor- en achterplecht waren ongeveer 1.50 m. lang en lliepen op een punt uit. Ook waren ze iets hoger opgebouwd. Bij een volgeladen bok liep het water over de rand van de laadruimte, maar voor- en achterplecht staken nog boven water uit. Vanaf deze plaats kon de bok dan naar de losplaats geboomd worden.






Opmerkingen? Foutje gevonden?   Opmerkingen?
Meld het via het reactieformulier!