De werktuigen


Een overzicht van de meest gebruikte werktuigen :

De graver of graversschep. Dit was een schep met een lange (tot 2 m.) steel, uit één stuk hout gemaakt. De onderste rand van het blad was voorzien van een ijzeren beslag. Het blad was net hol genoeg om de klijn zich vast te laten zuigen als het met de juiste snelheid uit het water werd geschept. Met de schep konden spitten van zo'n 30 cm diep gespit worden. De kunst was natuurlijk vooral het spitten onder water, dat volkomen ondoorzichtig was.
De beugel met baggernet. Dit was een ijzeren platronde ring met om de 5 cm. gaatjes waarin een net kon worden vastgemaakt. Aan deze ring stak een steel van wel 5 meter. Het net was ruim bemeten. Zowel de spitter als de menger hadden elk een beugel. Soms waren er ook nog beugels met kortere steel aanwezig. Met de beugel konden de laatste restjes klijn tot op het zand van de bodem gehaald worden. Deze laatste restjes waren de moeite waard, vaak leverde dit de beste kwaliteit turf op.
Een schepemmer. Dit was een blikken emmer aan een lange stok van ongeveer 2 meter bevestigd. Ze werden wel eens zilveren oorijzers genoemd, omdat de nieuwe zo blinkten. Ze gingen maar één seizoen mee, na een jaar waren ze helemaal doorgeroest.
De jutte was een korte schep, ook weer uit één stuk hout gemaakt. Opvallend was de opstaande rand langs de bovenkant van het blad, en het feit dat het blad met een kleine knik overging in de steel. De jutte werd gebruikt om de veenbrij uit de bok of bak te scheppen.
De trapersborden werden ondergebonden bij het aftrappen van de klijn. Men stond hier met sokken op. Veel meer dan een rechthoekige plaat met een paar riempjes is het eigenlijk niet. Deze is nog gebruikt door mijn grootvader Hendrik Ruiter.
De opbrekersschep gebruikte de turfmaker om de gestoken turven uiteen te wrikken om ze daarna te kunnen stapelen om te drogen.
De stekersklompen gebruikte de turfmaker om over het al wat ingedroogde paand te lopen om dit de steken. Dit waren feitelijk klompen waarvan de onderkant uitliep in een rechthoekige plaat (met afgeronde hoeken), natuurlijk om zo groot mogelijk draagvlak te verkrijgen. Deze is nog gebruikt door mijn grootvader Hendrik Ruiter.
Het peardsje of overhaal was niet veel meer dan een smalle plank dwars op de steel. Hiermee kon de pas uitgeworpen klijn over het paand getrokken worden.
De klauwer (ook wel poepeklauwer) was een soort hark met 4 tanden. Met de klauwer maakte de menger de veenkluiten kapot.
Het peil was niets anders dan een stok met een op een bepaalde hoogte ingeslagen spijker. Dit gaf de hoogte aan waarop de specie uitgegooid moest worden. Zoals we eerder zagen, hing de hoogte van dit peil af van de kwaliteit van de klijn. De turfmaker had een zelfde peil, maar deze was een aantal duimen korter omdat de klijn dan al was ingeklonken. Het was belangrijk dat de trekkers zich aan dit peil hielden, anders werden de turven te kort. De trekkers werden betaald aan de hand van het oppervlak aan gespreid veen, dus het was voor hun gunstig om de specielaag zo dun mogelijk te houden. De peilstok werd ook wel eens wat scheefgehouden, dat scheelde weer...







Opmerkingen? Foutje gevonden?   Opmerkingen?
Meld het via het reactieformulier!