De turfmaker


Als de feene een dag gelegen had kwam de turfmaker 's ochtends in alle vroegte. Hij bond de 'trapersbuorden' (Fr) onder zijn voeten (hij stond er met sokken op) met riempjes of touwtjes. Met 'polskes' (Fr) kon hij zich in evenwicht houden. Hij stapte op de feene en ging allereerst peilen. Er moest zo'n 20 cm. overblijven als het paand afgetrapt was, afhankelijk van de turven die gefabriceerd moesten worden.
Zijn peil was een paar duim korter dan dat van het span baggerlui, zover was de veenspecie al ingeklonken. Men hoorde ook wel de uitdrukking 'dagpeil' als peil voor de trekkers, en 'nachtpeil' of 'morgenpeil' voor de turfmaker, als de feene een nacht gelegen had.
De turfmaker liep nu voorzichtig over het paand en drukte op die manier de specie in elkaar. Er werd steeds in dwarsrichting over de feene gelopen. De eerste keer heette 'toijen' (Ov) of in het Fries 'teie' of 'knoffelje'. Al met al werd de specie zo'n 3 cm. in elkaar gedrukt.

Als het paand één keer getrapt was werd de schuine achterkant met de 'kantschep' plat en glad geslagen. Na het toijen was het paand nog allemaal bobbels en kuilen, de turfmaker moest er nog een keer overheen, op dezelfde wijze. Dit heette 'sporen' ('yn it spoar sette', Fr.) en vond na een dag of drie plaats. Na het sporen lag het paand er mooi glad en vlak bij en was het overal van de juiste dikte.
De volgende dag ging de turfmaker nogmaals met de trapersbuorden over het paand (de 'oerhap'), en soms de dag daarna nóg eens. Dit heette 'aftrappen'.
Omdat de trekkers ondertussen ook doorgingen had de turfmaker na een aantal dagen al flink wat oppervlakte veen om af te trappen. Een turfmaker had meestal 3 span baggerlui , zodat hij lange tijd elke dag 36 roeden moest trappen. (een roede is ongeveer 14 vierkante meter). Dat kwam dan nog naast het andere werk dat ook gedaan moest worden. In de drukste periode van het seizoen moest de turfmaker ook zondags nog de turf in.

Als de feene zo een aantal dagen gelegen had (afhankelijk van hoe goed het droogde) kwam het 'onder de krabber'.

Een krabber leek op een brede hark waarbij spijkers op regelmatige afstand in een dikke lat geslagen waren. De tand aan de rand was van eikenhout en heette het 'meske' (Fr). De turfmakers hadden twee krabbers : de ene voor de lengte en de ander voor de breedte. Soms waren dat ook twee kanten van dezelfde krabber. Voor elke maat van de turf waren er aparte krabbers:
1200se
Sponturf / burgerturf : 1295 turven per roede, 37 in de lengte en 35 in de breedte. Na het opdrogen leverde dit een vierkante turf op; werd niet zoveel gemaakt.
1300se
Sponturf / burgerturf : 1343 turven per roede, 39 in de lengte en 37 in de breedte. Dit was de meest gangbare turf.
1600se
Karturf : 1680 turven per roede, 42 in de lengte en 40 in de breedte. Deze was wat kleiner en lichter en was wat makkelijker om uit te venten.
Opm. De afmetingen van deze turven waren vóór het drogen. Van de meer dan 10 cm. doorsnede bleef uiteindelijk maar 7 à 8 cm. over. Baalder of baggelaar, een andere meer bekende turf, werd in Ouwsterhaule niet veel gemaakt. Deze was (gedroogd) 5 bij 10 cm en 15 cm lang.
De afmetingen van turf veranderden nogal in de loop van de tijd - in later jaren waren de kleinere turven wat meer in trek.

Baggelaar en sponturf.
Baggelaar werd gemaakt van zware, compacte klijn. Zat er lichtere, minder compacte klijn in de grond dan maakt men sponturf en karturf. Omdat baggelaar andere afmetingen had èn anders van samenstelling was, was het drogen van deze turf ook bewerkelijker. Baggelaar kon namelijk niet goed tegen felle zonneschijn.
Bij de uitrusting hoorden verder nog :
  • een steekijzer voor het steken van de turven. De punt van het steekijzer was afgerond, zodat niet in de onderliggende bodem werd gestoken.
  • een wetsteen - liefst van rode Bremer zandsteen. Het steekijzer moest vaak geslepen worden : 'efenties opwetten'.
  • stekersklompen - deze klompen waren aan de onderkant voorzien van een plank, ongeveer zoals bij de trapersbuorden. Klomp en plank waren uit één stuk hout vervaardigd.
  • een stevige lijn van ca. 15 meter lengte en een paar pennen met een oog erop.
  • een koffieketel
De voorkant van het paand was recht, de achterkant liep schuin af. Uit de aflopende achterkant kwamen driehoekige turven : de 'kantstokken' of 'kaal'. Deze werden niet meegerekend bij de opbrengst.
Allereerst werd langs de voorkant van het paand de lijn gespannen en daarna liep de turfmaker over deze lijn zodat een afdruk in het veen achterbleef. Met het steekijzer werd deze lijn uitgediept die als basislijn fungeerde voor de hele wal. Dan nam de turfmaker de lengtekrabber en trok die met het 'messie' in de snee in de lengte over de wal. Over de hele lengte waren nu 10 turven afgetekend. Op deze manier werd de hele turfwal 'uitgeklauwd', waarbij het mes steeds in de laatste groef getrokken werd. Om de 10 turven werd de groef uitgestoken met het steekijzer.


Als het goed droogde werd de volgende dag in de breedte geklauwd, en ook om de 10 turven een snee gemaakt. De turf lag nu dus in blokken van 10 bij 10 te drogen. Door het opdelen in kleinere blokken voorkwam men dat er droogtescheuren ontstonden.
Als de turfmakers er aan toe waren werd het eerst de turf in de lengte gestoken, de turfmakers noemden dat 'trochhelje' (Fr) of 'deurhèlen' (Ov). Daarna werd de turf in de breedte gestoken. Een goede turfmaker kon in een dag zo'n 30 roede steken, sommigen haalden 40 roeden. Het was zwaar werk. Voor elke turf moest het steekijzer twee keer op en neer en 30 roeden waren meer dan 30.000 turven!
Als de turf eenmaal gestoken was, was het echte zware werk gedaan. Voor de veenbaas was dat dan ook een gedenkwaardig moment.






Opmerkingen? Foutje gevonden?   Opmerkingen?
Meld het via het reactieformulier!