De Weerribben


Door het stijgen van de zeespiegel begint zo'n 10.000 jaar geleden op grote schaal veenvorming op te treden door ophoping van niet-verteerde afgestorven planten. In de Middeleeuwen wordt een groot deel van dit veengebied door de zee opgeruimd en ontstaat de Zuiderzee. Wat hier ter plaatse dan resteert is een circa 10 km brede strook tussen Zuiderzee/IJsselmeer en de hogere gronden aan de oostkant ingeklemd. De veenlaag heeft op dat moment een dikte van 4 tot 6 meter.

De veengebieden zijn door hun drassig karakter en onbegaanbaarheid lange tijd onbewoond gebleven. Pas in de 12e eeuw wordt vanuit Friesland een begin gemaakt met de (systematische) ontginning. Voor elke hoeve werd langs de ontginningsas (een water of een weg) een bepaalde afstand afgemeten (typisch zo'n 45 meter). Dwars op de ontginningsas werden dan sloten gegraven die behalve als erfscheiding ook voor de ontwatering dienden. Door de ontwatering werd het land geschikt voor akkerbouw en veeteelt maar door inklinking (=krimp, laagveen bestaat voor 90 % uit water) en oxidatie van het droogliggende organische materiaal daalde de bodem na verloop van tijd zo erg dat agrarisch gebruik niet meer mogelijk was.
De sloten werden dan verlengd in het nog onontgonnen achterland en men verplaatste de hoeve. Dit werd het recht van opstrek genoemd. Zo ontstonden de soms vele kilometers lange kavelstroken, die hier als weren bekend staan. Voor eigen gebruik werd altijd al turf gestoken; pas in de 17e eeuw kwam door de grote vraag vanuit Holland een grootschalige en systematische vervening op gang.

Bij hoogveen kun je na ontwatering de turven zo uit de grond steken. In dit gebied moest door de hoge grondwaterstand de winning door middel van natte vervening plaats vinden.
Tussen pasen en pinksteren werd er door ploegjes van twee man gebaggerd. Voor dit werk kwamen vaak seizoenarbeiders vanuit Duitsland. De ene haalde met een baggerbeugel (een soort schepnet aan een lange stok) de veenmassa vanonder de waterspiegel naar boven en deponeerde de veenkluiten in een mengbak. In deze bak trapte de tweede persoon (de menger) de kluiten fijn zodat een soort turfbrij ontstond. Deze turfspecie werd vervolgens in een laag van circa 20 cm dik uitgespreid over de legakker. De rest van de zomer was de turfmaker bezig met het steken en drogen van de turf en het klaarmaken ervan voor transport.
In het begin werd de turfspecie in pramen naar legakkers elders vervoerd zodat alle grond verveend kon worden. Dit resulteerde in flinke plassen, die door verdere golfafslag uit konden groeien tot heuse meren waarin hele dorpen ten onder gingen (Beulakkerwijde). Later liet men tussen de afgegraven stroken zetwallen staan waarop de specie gespreid werd, de zgn. ribben. De trekgaten zijn hier tussen de 10 en 40 meter breed; de ribben tussen 1 en 6 meter breed.

In de 18e eeuw was de vervening hier alweer over zijn hoogtepunt heen en begon een grote migratiegolf naar de aansluitende laagveengebieden in Friesland, grofweg tussen Lemmer en Heerenveen. De oorspronkelijke bevolking werd zelfs in getal overtroffen door deze Gieterse invasie.
Mijn voorouders behoorden ook tot deze landverhuizers; dit verklaart mijn interesse voor dit gebied waarvan we de naam nu kunnen verklaren :
Weren = kavelstroken met de hoeves
Ribben = stroken onverveend land tussen de trekgaten.

In het algemeen werden de vergraven landen opnieuw in cultuur gebracht door de aanleg van grote veenpolders. Hierin zien we niets terug van de turfwinning. In de Weerribben bleef de toestand van na de vervening voor een groot deel ongewijzigd.

Jaap Ruiter, juli 2000



Opmerkingen? Foutje gevonden?   Opmerkingen?
Meld het via het reactieformulier!
Nu een schitterend natuurgebied, maar vroeger de plaats waar onze familie werkte in het veen.



Familieverhalen


Streekgeschiedenis


Wetenswaardigheden


Film & Video