Jeugdherinneringen van Jan Ruiter


In de Echtenerpolder, naast de molen aan de Ringvaart, stonden enkele eenvoudige woninkjes, zogenaamde 'tenten'. Mijn ouders, gehuwd op 12 juli 1907, woonden in één van die optrekjes. Daar, op de 'Vleerpolle', ben ik op 19 april 1908 geboren.
De molen werd toentertijd bewoond door Johannes Hoekstra.





Age en Aaltje zijn Jan's ouders.


Een jaar later verhuisden wij naar de Dwarspolderdijk te Oosterzee.
Hier zijn mijn zus Antje en broer Wigle geboren.

In 1911 woonden wij in een woonark, die op de wal, op een stenen fundering was gebouwd.
Tegen de ark was een hok getimmerd voor het vetmesten van een varken. Na het slachten werd de helft vaak verkocht vanwege de gemaakte kosten.

Ik kan me herinneren, dat ik voor het eerst met mijn vader meeging in een punter.
De punter was van Harm Schaap, hellingbaas op de Commissiepolle. Hier werden houten bokken en punters opgekalefaterd. Ook waren wij als schooljongens wel eens 'behulpzaam' een vaartuig op de helling te draaien. Als 'beloning' kregen we een stuk pek om op te kauwen.

Naast ons woonde Jochems Jantsje (wed. Muurling). Zij was winkelierster.
Bij hevig onweer zocht moeder, met Antje, Wigle en mij, haar toevlucht bij deze buurvrouw.
Zo weet ik mij te herinneren dat op een namiddag, in augustus 1911, de molen aan de Ringvaart door de bliksem werd getroffen en tot de grond toe afbrandde.

In juli 1912 zijn mijn tweelingzusjes Rinschje en Grietje geboren.
Rinschje is maar drie maanden oud geworden.
Ze is in Echten begraven.
Op 1 december 1913 is mijn broer Willem geboren; broer Hessel op 12 april 1916.

● De schooltijd
April 1914 begon in Echten mijn eerste schooljaar. Juffrouw Alkema was mijn onderwijzeres.
Op 4 augustus van datzelfde jaar brak de Eerste Wereldoorlog uit.
April 1915 kwam ik in de tweede klas, bij meester De Haan.
Mijn schoolkameraden waren Siert Zwart (zoon van het hoofd der school), Jouke Kraak (zoon van veehouder Geert Kraak), en Johannes de Jong (zoon van veehouder Hans de Jong). Zijn bijnaam was 'Johannes de Dooper'.

Op 12 mei 1916 zijn we verhuisd naar Delfstrahuizen.
Vader was toen turfmaker bij Kemme, vervener te Joure.
Deze verhuizing was voor mij, en mijn broertjes en zusjes, een belevenis. Met een schip van omke Hendrik en tante Aaltje (omke Hendrik was een neef van pake Jan) vaarden we via Tweede Brug het Tjeukemeer op.

In het haventje te Delfstrahuizen meerden we af. Dit was ongeveer honderd meter vanaf de 'nieuwe' woning. We werden de nieuwe buren van Klaas Luik en zijn gezin.
Op de polderdijk naar het Tjeukemeer stond een grote zeskanter poldermolen.
Als de molen draaide hoorden we in huis het 'zoeven der wieken', het kraken,
en het kreunende geluid van de raderen.
Delfstrahuizen was toen nog geen veenpolder. 's Winters stonden vele landerijen onder water. Het haventje was nog bevaarbaar. Af en toe kwamen er nog schepen met een lading terpmodder voor de boeren.
Ook was er een vaste ligplaats voor de grote, witte woonark van Klaas en Kaatje Poepjes.
Klaas Poepjes was beroepsvisser op het Tjeukemeer.
Hun kinderen, Hans, Andries, Geertje en Jelle, waren onze speelkameraden.
We gingen naar dezelfde school: de openbare lagere school in Delfstrahuizen.
Ik kwam in de derde klas, bij meester Van Straaten. In de vierde klas zat ik bij de hoofdonderwijzer, meester Klaas Kingma.
Op school hadden we strenge regels:
'Ik moet netjes op school komen, goed gewassen en met gekamde haren. Geen 'rouw-randjes' onder de nagels. Na het gebruik van de retirade (wc) deksel er op doen, en de handen wassen. Ik moet mij op de weg en bij school netjes gedragen en beleefd zijn.
Ik moet met twee woorden spreken. Het schoolplein niet verontreinigen en papier en afval in de vuilnisbak werpen. Ik moet mijn jas netjes en op de juiste plaats hangen, de klompen in het klompenvak zetten. Ik mag zonder toestemming het schoolplein niet verlaten'.

Bij een begrafenis moest de rouwstoet de school passeren. We moesten dan ons spel staken en netjes in de rij, met ontbloot hoofd langs de heg gaan staan.

Ik speelde ook veel met Jan Akkerman, zoon van Johannes en Nies.
Daar haalden we melk. Deze oude boerderij staat er nog. Aan de andere kant stond de boerderij van Bernardus Holtrop. Samen met hun zoon Theunis reed ik tegen melkerstijd mee op de bolderwagen. Bussen en emmers stonden te denderen en te rammelen tijdens de rit door het 'hobbeltjesland'.
Er was veel onland. Bij Vierhuis had je de zogenaamde Kattedans. Dit was meest boenderland, met her en der brede wilgenstruiken. Ook achter de school lag een stuk boenderland, de Boterton genaamd. Dit stuk land is later door de gebroeders Jan en Pier Slump verveend.
Richting de Tjonger, aan de Zevenbuurt was nog een uitgestrekte riet-wildernis, de Diaconiepolle. Aan de Tjonger had je de Bokkenbuurt; op het land getrokken woonarken.
Daar woonden o.a. Holke Huisman en Sjoerd Bloem en hun gezinnen.
Verderop waren de Ketenbuurt en de Zevenbuurt.
Aan de ingang van de Tjonger, de Vierhuistervaart en de Pier Cristiaansloot waren de zogenaamde Kettingen. Dit waren installaties waarbij een ketting de doorvaart belemmerde en de schippers dus eerst tol moesten betalen.

Maar nu weer even terug naar ons eigen gezin.
Het was 1917. Samen met mijn zus Antje, amper 9 en 8 jaar oud, moesten wij naar de Coöperatie. Dit was een volkstuin in de Echtenerpolder.
Moeder zette ons 's morgens vroeg bij de melkrijder op de wagen.
We reden mee tot de tweede brug in Echten, tot het café van Hendrik Muurling.
Dan moesten wij nog kilometers ver lopen. 's Avonds moesten wij weer met de melkwagen terug. Hoe wij als kinderen wisten hoe laat het was, om op tijd bij de tweede brug te zijn, is mij een raadsel.
We kregen in 1917 ook nieuwe buren. Klaas Luik verhuisde naar Echtenerbrug, en Hendrik en Joukje uit de Westhoek kwamen naast ons wonen. Zij hadden twee dochters, Jantsje en Aaltje, 3 en 1 jaar oud.
In 1917 heeft er bij ons thuis twee maal een groot plakkaat voor het raam gehangen met de tekst 'Besmettelijke ziekte - Difterie'. Als de ziekte over was werd het huis ontsmet.
Dat gebeurde door de gemeente-veldwachter Halbertsma uit Sint-Johannesga.
In 1918 heerste er opnieuw difterie en Spaanse griep.
In november kwam een einde aan de Eerste Wereldoorlog.
Voedsel en andere gebruiksvoorwerpen waren schaars en de veenaardappelen slecht. Honingboter was de enige lekkernij. Vader en buurman Hendrik slachtten een doodgetrokken kalf, dat ze van veehouder R. Kroondijk hadden gekregen.
November 1918 ging ik met mijn vader, lopend naar Echtenerpolder.
Tante Janke, de vrouw van vaders broer, was aan de Spaanse griep bezweken.
Er bleven 5 kinderen achter. De jongste was 1 jaar oud.
Dit was mijn eerste kennismaking met de dood.

Zondagavond 12 januari 1919, is mijn zusje Grietje overleden.
Grietje, het overgebleven tweelingzusje, stierf aan een longontsteking. Ze was 6½ jaar oud.
Het was die zondag in januari mooi en zacht weer. Geen winter.
Dr. Wieringa, toen onze huisarts, woonde in Oosterzee.
Donderdag 16 januari werd ze begraven. Het regende af en toe.
Ik ging als tienjarig jongetje mee op de begrafenis van mijn zusje.
Of de hoge, zwarte bomen rond het kerkhof bedreigend of beschermend waren, wist ik niet.
Wel kan ik me nog zeer goed herinneren dat de heer Kemme, vaders werkgever, mij bij de hand heeft genomen.
Dit gebeuren, het overlijden van een zusje en de gang naar het kerkhof, heeft zo'n diepe indruk bij mij achtergelaten, dat ik het nooit heb kunnen vergeten.

Vier weken later was het weer volop winter. Het ijs was nog sterk. We gingen met moeder over het Tjeukemeer naar Pake en Beppe in Echten. De kleinsten warm ingestopt in de kinderwagen.
Aan een zwart lint om de mouw van onze jassen was te zien dat we in rouw waren.
Zus Antje droeg als teken van rouw een zwart haarlintje.
Ouders waren in het zwart gekleed. Speciaal hiervoor werden jurken en schorten naar de zogenaamde zwartverver in Lemmer gebracht. Een rouw-periode duurde meestal een jaar.


In mei 1919 zijn we (weer) verhuisd. Nu naar Echtenerbrug.
Naar een woning, gebouwd in een oude boerderij. Hierin bevonden zich nog twee woningen.
De voorkant van de boerderij werd bewoond door Barteld Kooi en zijn gezin. Kooi was onderbaas, in dienst bij vervener Kemme. Het gezin van Hendrik Wever woonde in één van de ingebouwde woningen.


Hendrik en Joukje gingen met hun drie dochters (er was inmiddels nog een meisje geboren), terug naar de Westhoek (Nijetrijne).


Op 16 oktober 1919 is broer Sietze geboren. Vernoemd naar omke Sietze, die op 1 juni van datzelfde jaar aan tyfus was overleden. Omke Sietze was een broer van mijn moeder.
Tante Hiltje bleef achter met hun 1 jarig dochtertje - mijn nichtje Annie - .
We bleven ondanks de verhuizing nog wel naar dezelfde school gaan.
In onze nieuwe woonplaats hadden we ook de 'arbeiderskoe', een melkgeit.
's Morgens, op weg naar school, brachten we eerst de geit naar de wei in de veenderij.
Ik herinner me ook, dat er op school klompenbonnen werden uitgereikt door het hoofd der school. Klompen konden we dan halen bij het winkeltje van 'Lute Jantsje'.



Op school was ik goed in het vak tekenen. Vaak hingen pentekeningen van mij aan de wand. Jan v.d. Veer, de huisschilder, schilderde óók portretten. Ik kwam dikwijls bij hem in de verfwinkel. De verhalen gingen altijd over tekenen en schilderen. Hij stelde mij voor om na de schoolperiode bij hem in de leer te komen en het schildersvak te leren. Maar het liep anders...
Toen ik twaalf jaar werd - in 1920 - moest ik mee naar de veenderij.
Vader helpen bij het turfmaken, en 's winters riet snijden.
Ik, als oudste uit het gezin van Age en Aaltje, moest 'meeverdienen'. Sociale verzekeringen en voorgeschreven arbeidstijden bestonden niet. Er werd gewerkt tot 's avonds half zeven - zeven uur.


Zaterdags gingen de turfmakers iets vroeger naar huis. Ze moesten dan nog naar de barbier. In Echtenerbrug waren er twee: Wiepke Kroes en Berend Otten.
Beiden waren schoenmaker en barbier. Ze knipten en scheerden tot laat in de avond om de oude turfmakers weer toonbaar te maken voor de zondag.
Mijn vader scheerde zichzelf met een scheermes.
Scheerapparaten waren er niet, evenmin als elektrisch licht.
In Delfstrahuizen stonden zes straatlantaarns. Petroleumlampen, die door de familie Jacob Bron werden ontstoken. In Echten - dit was gemeente Lemsterland - stonden aan de vaart gaslantaarns.
In de winter van 1920 ben ik weer naar school geweest.
Daarna nog twee jaar naar de 'avondschool'. In totaal heb ik acht klassen doorlopen.





Met vier broers en één zus was ons gezin nog niet compleet.
Er zijn nog twee zusjes en een broertje geboren.
Zus Grietje op 9 september 1921, broer Hendrik op 21 mei 1923.
Ik was zeventien toen mijn jongste zusje, Rinschje op 23 april 1925 werd geboren.




Tot zover mijn notities.



Opmerkingen? Foutje gevonden?   Opmerkingen?
Meld het via het reactieformulier!
Dit verhaal kreeg ik opgestuurd door de beide broers Piet en Wigle Ruiter. Het zijn de door hun vader in de 80-er jaren uitgewerkte notities met jeugdherinneringen.
Jan Ruiter bracht zijn jeugd door in de veenpolders juist ten zuiden van het Tjeukemeer.



Familieverhalen


Streekgeschiedenis


Wetenswaardigheden


Film & Video