Opgroeien in het Dal - Albert de Ruiter


In 2019 is in eigen beheer uitgegeven: 'Opgroeien in het Dal: het dagelijks leven in een echte Steenwijker volksbuurt'.
De samenstellers, Carolina Linthorst en Liesbeth Hermans hebben een aantal interviews gehouden met (ex-)bewoners van deze wijk. Op p. 119-123 vinden we een kort verhaal van Albert de Ruiter over zijn Steenwijker jeugdjaren. Betrokkenen hebben toestemming verleend om dit korte verhaal op de website Ruitersporen te plaatsen, waarvoor hartelijke dank!

Titelgegevens: Carolina Linthorst en Liesbeth Hermans (samenst.). Opgroeien in het Dal: het dagelijks leven in een echte Steenwijker volksbuurt. [Steenwijk, 2019].

Albert is een zoon van Karst de Ruiter en Jacoba Spitse.



Het Dal ontstond midden jaren twintig van de vorige eeuw. De staat van de huisjes in het wijkje ‘Achter de Kaarke’ was zó erbarmelijk dat het toenmalige gemeentebestuur besloot deze bouwvalletjes af te breken en de bewoners een nieuwe stek aan te bieden, aan de andere kant van stadspark Rams Woerthe. Een naam voor het intieme woonwijkje was gauw gevonden: ‘Het Dal’ omdat het gebied lag in het stroomgebied van het oude Steenwijker riviertje de Aa.
Albert (“Appe”) de Ruiter  
"Mijn kleuterjaren heb ik in de Nettelbosch doorgebracht. Precies op de plek waar nu het hekje van de nieuwe stadstuin staat, daar stond ons huisje. Ik geloof dat er toen nog maar drie over waren. De rest was al afgebroken, veel soeps was het ook niet.
Piepkleine woningen waren het. Voor mijn bed was geen ruimte, daarom maakten ze er een voor mij in de kast. Tweede plank van boven. Matrasje erin, dat was mijn bedje en dat paste goed voor het kleine manneke dat ik toen nog was.
Er was daar onderaan die Hogewal een grote groene, ruige wei. Daar groeiden de fruitbomen van Andries van Erkelens, waar we inklommen om lekkere appels of peren te jatten. Stond hij met de vork onder de boom: "Kom d'r eens uut!" Nou, mooi niet natuurlijk, wij bleven rustig zitten, hoog en droog en veilig.

Als mijn vader ging palingvissen, haalden we de pieren bij Volkers uit dat lange stuk tuin van hem. De gemeente stortte daar bladafval en dat trok wormen die lekker groot en dik werden. Ideaal om paling mee te vangen. Met de benen in de fietstassen van vader mocht ik achterop mee. Richting Giethoorn, bij de eerste ophaalbrug, daar bij de bosjes. Klinkt wel romantisch met de oren van nu, maar dat vissen was bittere noodzaak voor ons gezin! Wij aten geen vlees, maar vis en die moesten we zelf vangen. Maar heel af en toe kon er een homp vlees vanaf. Alleen van de noodslachting!
We verhuisden naar de Aastraat in het Dal. Als kleuter zat ik op de Fröbelschool aan de Gasthuisstraat. Daarna School C en de Wilhelminaschool. Ik had er geen hekel aan, leren ging me best goed af en dat deed ik ook wel graag.
Als je me vraagt wat we in Het Dal speelden, dan denk ik het eerst aan de weg naar school. Bij park Rams Woerthe begon het hek, met dat schuine muurtje eronder. Onze kindervoeten pasten precies tussen de spijlen. Met onze handen eromheen geklemd en de voeten op de muur, zo klauterden we naar huis.
Wat een eenvoudig spel hè, maar we hadden ook niet veel anders. Zo waren die tijden toen in het Dal, mijn vader heeft altijd heel hard gewerkt om voor ons geld te verdienen.

Schoolreisje? Ik geloof dat we daarvoor het hele jaar moesten sparen, en ik ben maar één keer mee geweest. Arme sloebers waren we, hoe hard vader ook ploeterde. Dat moet voor hem misschien toch ook wel pijnlijk zijn geweest. Hij draaide op de Dijka nachtdiensten en om meer geld te verdienen deed hij dan een dagdienst er soms meteen achteraan. Nee, aan het te weinig werklust heeft het zeker niet gelegen. Ja, we waren arm. Soms had mijn moeder niet eens suiker. Dan stuurde ze me naar tante Wil, daar moest ik dan een kopje suiker "lenen".
DYKA houdt zich al sinds 1957 bezig met de productie van kunststof leidingsystemen. Ze produceren en leveren niet alleen hun eigen producten, maar zijn ook groothandel in diverse A-merken.

Je hebt van die herinneringen die je altijd bij zullen blijven. Zoals het verlangen naar een ijsje. Lagen we op bed, hoorden we het belletje van de ijscokar van Boschma. Het geluid van de kar kwam steeds dichter bij: "Pa, mogen we een ijsje?" Dan schold hij naar boven dat we onze kop moesten houden. Een ijsje kon er echt niet af! Als we dan toch door bleven zeuren, kwam hij wel eens de trap op om ons een mep te geven met de riem.

Slaan? Dat was vroeger best heel gewoon. Ik zag het overal rondom me heen. Je  wende er aan je werd er wel flink van. Zo zie ik dat nu, achteraf. Maar slaan is natuurlijk niet goed.
Het kwam wel eens voor, dat de politie thuis kwam om verhaal te halen over iets. Kwajongensstreken hoor, niks ergs. Een kapotte lamp in een lantaarnpaal of zo. Als oom agent weg was, kreeg ik van vader nog een portie tikken erbij. Of ik het nou verdiend had of niet. Vaders wil was wet. Simpel.
We hoefden al helemaal niet huilend thuis te komen dat we op straat klappen hadden gekregen. Dan kregen we er van pa een portie bovenop: "Hier, ik zal je leren, slaag te krijgen van een ander. Dat overkomt je niet nog een keer!" Zo leerde ik op straat van me af vechten en te overleven door van me af te bijten. Het moest wel, anders ging je ten onder. Mooi is het niet, maar zo ging dat vroeger. Harde levenslessen voor een klein kind, eelt op de ziel.
Ken je het spel "kontenslagertje"? Dat is ook zoiets. De tikker had een stok. Als hij je te pakken kreeg, mocht je een kleur uitzoeken: "Wat kies je, rood, blauw of geel?" "Geel". "Nou dat zijn dan tien slagen!" En dat ging niet zachtjes, er werd pittig op los gemept. Niet tot bloedens toe, hoor, maar toch...

Zo leerde je al heel vroeg, dat het leven soms van "au" is. Voor de één meer dan voor de ander, want de portie ellende is niet altijd eerlijk verdeeld.
Toen ik, heel veel later, in dienst kwam, vonden ze me ook al zo'n harde. Daar dwong dat nog wel respect af. Dat heb ik aan mijn opvoeding te danken. Met dank aan mijn pa, hij kon niet anders.

De tonnetjes van de gemeentereiniging zie ik ook nog voor me. Ze werden altijd op maandag leeg gehaald en omgeruild. Dan liep de man van de reiniging met de volle ton door het achteromgangetje naar de kar, soms botste de ene emmer tegen de andere. Dan lag er dus poep in ons steegje. Je denkt toch niet, dat ze dat opruimden? Dat moesten we zelf doen. Of het ging al mis bij het begin, met een speciale haak werden die tonnetjes naar voren getrokken. Dat gleed soms niet zo goed over de stoeptegels, die lagen hier en daar niet helemaal effen. Dan stokte het glijden. En die tonnetjes waren vol! "Sorry", zei de man van de reiniging en liet de bende gewoon liggen. Mochten wij weer aan de slag.
Mijn moeder maakte haar stoepje trouwens een paar keer in de week met de bezem schoon. Groene zeep opkloppen in heet water en maar schrobben.
Toch hadden die vieze tonnetjes ook een mooie kant. Voor ons, kwajongens, dan hè. We haalden ganzenveren uit het park en gingen gluren bij de buren in de straat. Bij de poepdoos. Als je het tonnetje wegschoof, kon dat heel makkelijk. Natuurlijk hadden vooral vrouwenbillen onze grote interesse. Eerst goed kijken, want voorlichting, die kreeg je in onze tijd echt nog niet, hoor. Ja, van de straat, maar niet van thuis of op school!
En dan...wat is er leuker, dan een vrouw met zo'n veer aan haar onderkantje te kietelen?. Gillen dat ze kunnen: "leieie, er zit een beest hier!!!"
Ja, wij. "Beesten" van kwajongens van een jaar of tien, elf. Heel onschuldig.
Onze verhuizing naar de Tulpstraat ging met de handkar van Akkerman. Een keer of zeven heen en weer, meer hadden we niet om te verhuizen. Maar mijn jongensjaren heb ik ook daarna gewoon in Het Dal doorgebracht. Ik kwam er graag en mijn vriendjes woonden er immers nog.

Bij de Dijka heb ik lang gewerkt, ik reed heel Noord-Nederland door, soms wel zo'n zestig adresjes op één dag. Hier een doos, daar een buis, of een zakje. Ik werd er zelfs afdelingschef. Maar mijn lichaam werkte niet mee, ik werd overspannen en raakte afgekeurd. Na herkeuring werd ik taxichauffeur. Dat heb ik ook nog vijftien jaar gedaan. Man, man, wat 'n mooie fooien kreeg ik in de nacht. Soms wel driehonderd gulden. Als mijn vader dat had mogen meemaken. Hij werkte zich kapot en ik zag in mijn werk hoe de hoge heren van achter hun bureau de kost verdienden, soms letterlijk met de benen er boven op.
Nee, welvaart is niet gelijk verdeeld. Maar ja, het leven is niet altijd eerlijk hè, je moet er zélf wat van maken."


Opmerkingen? Foutje gevonden?   Opmerkingen?
Meld het via het reactieformulier!