Het levensverhaal van Femke vd Graaf - Ruiter


betreft: Femke Ruiter
 
Enige tijd geleden stuurde Myrthe van der Graaf mij het mooie levensverhaal van haar moeder: Femke Ruiter. Sommigen zullen zich Femke misschien herinneren van de laatste Ruiterdag in Giethoorn.
Het verhaal barst van de levenslust en de positiviteit; prachtig om dit te lezen. Ik hoop dat dit verhaal ook anderen inspireert om iets dergelijks op te sturen!

Femke van der Graaf-Ruiter overleed op 09-01-2023 in Colijnsplaat. Tot de laatste middag was ze vrolijk en in haar bewogen leven zocht ze altijd weer de zonnige kant.

Femke, geboren op 10-10-1923 in Ossenzijl, een mooi dorpje in de Weerribben, had een fijne jeugd ondanks dat ze het aanvankelijk niet breed hadden. Ze was de derde van zeven kinderen. Haar moeder zong altijd en leerde hen ook veel liedjes, maar kon ook streng zijn. Met een man die de hele week van huis was - hij was opzichter bij de Heidemaatschappij - moest dat ook wel.

En Femke was avontuurlijk. Altijd buiten. De mooie strik op haar zwarte krullen was of aan een tak blijven hangen als ze weer eens in de bomen klom, of zag er in elk geval ’s avonds verfomfaaid uit. Polsstok springen waarbij de sloot nogal eens te breed was en er weer een klompje in de modder bleef steken. Thuis wachtte dan de mattenklopper. Ze voelde de ribbeltjes nog in haar billen als ze erover vertelde. ‘Ik zal ut vriedag an va vertelln’ kwam er dan nog achteraan. Vrijdags mochten ze altijd hun vader tegemoet lopen. Als hij dichterbij kwam verstopte ze zich gauw tussen de bonenstaken, maar al gauw kwam er een grote hand naar binnen die haar eruit trok. Na de biecht zei vader steevast ‘zajt nooit weer doen?’ ‘Nee va’ en daarmee was de kous af, ware het niet dat ze de belofte de volgende dag alweer vergat.

Ondanks dat ze arm waren kwam ze niets tekort, behalve dan kleding die van de grote zus kwam (ook weer gekregen) en eindeloos werd vermaakt. Ze zou er daardoor later altijd piekfijn uitzien. Groente uit eigen tuin en als er geen brood genoeg was, kregen ze een wortel mee naar school. Daar had ze lievelingsmeester Barteling, die helaas de oorlog niet overleefde omdat hij in het verzet zat. Ze zou altijd vol liefde over hem blijven praten. Ze hield ook van alles wat groeit en bloeit, verzamelde bloemen en planten die ze liet drogen en in een schriftje plakte met de namen erbij. Die kende ze allemaal uit het hoofd. En elk jaar kreeg ze van haar opa een lammetje dat zij mocht grootbrengen. Het kwam al naar haar toe gehuppeld zodra ze aankwam. Fruit, behalve een appel, kenden ze eigenlijk niet. Alleen met Kerst kregen ze op de zondagsschool een sinaasappel. Die moesten ze mee naar huis nemen, waar ze op een schaal werden gelegd en ’s middags rondgedeeld. Maar de weg naar huis was lang en de sinaasappel rook zo lekker. Met haar vinger prikte ze er een gaatje in en zoog eraan. Nog een slokje en nog een slokje, met als resultaat 6 glanzende sinaasappels op de schaal en één verfrommeld hoopje oranje.

Zwartsluis  
Op haar dertiende verhuisden ze naar Zwartsluis, maar ze heeft altijd heimwee naar Ossenzijl gehouden. Ze was nog geen veertien toen ze moest werken bij een onaardige mevrouw, later bij één die zo mogelijk nog onaardiger was. En dat voor één gulden per week. Ze werd zo mager van dat harde werken, dat haar moeder zei, ‘kom mar tuus, die guldn kun ie bie mij ook wel verdienn’. Haar moeder werd ziek en zij heeft haar een jaar verzorgd en haar niet alleen maar het hele gezin. Toen haar moeder overleed was ze nog geen zeventien en stond ze er alleen voor. Haar jongste broertje was nog maar zeven. Maar met al haar moed sloeg ze zich er doorheen. Toen al was ze gul en gastvrij. Vriendjes en vriendinnetjes waren altijd welkom. Er werd veel gelachen en muziek gemaakt. Ze speelde mondharmonica, banjo en mandoline. Door de oorlog werd het zwaarder en stond ze soms te huilen als één van haar broertjes weer eens met kapotte broek thuis kwam. Op een dag kwam er een schip op de werf tegenover hun huis. Ze sloot vriendschap met dochter Annie en op een middag gingen ze roeien. Daar was ook Annie’s broer Cor bij. Ze vonden elkaar wel leuk en gingen na afloop samen nog een eindje wandelen. Die vrijdag werd er aangebeld. De werfbaas. ‘Je dochter heeft toch wat met die schippersjongen?’ vroeg hij aan haar vader. ‘Nou’, zei deze, ‘ze hebben geloof ik een keer gewandeld’. ‘Maandag komen de Duitsers het schip in beslag nemen, het gezin is bij familie en is al gewaarschuwd. Als je slim bent haal je alles van waarde van het schip af’. Dat was even slikken om dat zo maar bij vreemden te doen. Samen met haar vader en broers hebben ze toch alles van waarde uit het schip gehaald. De Duitsers vloeken die maandag.

Verkering en varen  
Zo begon hun verkeringstijd in Holten, het onderduikadres van Cor. Samen wandelen op de Holterberg. Die naam heeft voor haar altijd een zoete klank gehouden. Even geen oorlog, geen zorgen en heerlijk verliefd.

Klik op foto voor groter formaat
Na zes jaar hertrouwde haar vader en was ze thuis niet meer nodig. Omdat Cor geregeld in Rotterdam kwam met het schip, ging ze daar dienen, alweer bij zo’n onaardige mevrouw. In 1950 zijn ze dan getrouwd, na zes jaar verkering. De eerste jaren voeren ze in Frankrijk. Kregen achter elkaar drie kinderen en na zes jaar nog een nakomer: Henk. Als ze nu terugkeek waren het heerlijke jaren daar in Frankrijk. Het mooie land, de bevolking, het relaxte leven. Als je elkaar tegenkwam, maakte je een gebaar van ‘bord à bord?’ (zij aan zij), maakte aan elkaar vast en werd er een wijntje gedronken, waarna ieder zijns weegs (waters) ging. Maar het was ook een avontuurlijk leven en soms ronduit angstig. Een aanvaring of bijna-aanvaring met een groot schip. Cor was soms een waaghals en ging met dichte mist over Zeeland of het IJsselmeer, zodat ze wel eens half verzopen in Lemmer aankwamen.

Op 2 februari 1953 lagen ze in Antwerpen toen ze hoorden van de watersnood. Zij maakten onmiddellijk los en voeren samen met een buurman richting Zeeland. Niet zonder risico, want water en land waren niet meer te onderscheiden en door de gaten in de dijk stroomde het gevaarlijk, zodat Cor haar met een smoesje naar beneden stuurde, maar vanuit het keukenraam zag ze wel degelijk wat er gebeurde. In Bruinisse werden met hun roeiboot eerst mensen van het dak gehaald en vervolgens voeren ze door naar Zierikzee, waar de mensen nog nat en koud op de kade stonden. Die brachten ze, samen met drachtige paarden, naar Goes en Dordrecht. Zo zijn ze een aantal keer heen en weer gevaren. De natte kleding van de mensen legde ze te drogen op de kachel en In Dordrecht ging ze snel aan de wal, kocht wortels, uien en worst en maakte een grote stamppot. In het watersnoodmuseum kun je haar verhaal beluisteren bij de Oral History zuil.

In 1970, ze hadden inmiddels een groter schip, lagen ze in de haven van Duisburg, toen de buurman achteruit de haven uitvoer en daarbij zijn anker over de bodem liet ‘krabbelen’ om daarmee koers te houden. Het anker raakte een Engelse vliegtuigbom die daar nog lag. De bom ontplofte en het schip vloog tot drie keer de lucht in en twee keer tegen de kademuur. Cor en Femke en twee van hun kinderen lagen in bed, het was 5 uur in de ochtend en nog donker. De lucht kleurde rood, geel en blauw terwijl ze heen en weer geslingerd werden. Ze dachten, dit is het, de wereld vergaat! Dat ze in bed lagen was hun redding. Helaas was bij de buurman een dode te betreuren, zijn jonge matroos.. Alles was kapot, alle meubelen, servies, alles, behalve een kopje en een fles cognac. Die kon ze nog lachend aan het bezoek aanbieden. De kanarie stond te fluiten op een omgekeerde stoelpoot. Ze hebben er het journaal mee gehaald. Maar ook dit avontuur kwamen ze weer te boven.

En nog meer varen..  

Klik op foto voor groter formaat
Femke was, naast de zorg voor de kinderen, vaak fulltime matroos, stond aan het dek bij de touwen en hield het hele schip keurig in de verf. De kinderen hadden een heerlijke jeugd; spelen in het ruim of aan de wal. Femke vertelde verhaaltjes, leerde liedjes en las voor. Ook was ze heel creatief, maakte wandkleden, breide eindeloos truien en sloffen. De schooltijd was zowel voor haar als voor de kinderen minder leuk. Ze telden de dagen tot de vakantie. Want dat was feest; varen over de Rijn, de bergen in en oude steden ontdekken. Vriendjes en vriendinnetjes waren altijd welkom, alsmede andere logees. Het gebeurde zelden dat er geen logees aan boord waren. Zelf ging ze één keer per jaar één week op vakantie, samen met haar zus Geeske en een groepje schippers. Daarvan genoot ze zo enorm, dat ze er de rest van het jaar over praatte. Toen het haar allemaal een beetje teveel werd, kocht Cor een caravan op een camping in Voorthuizen. Een paradijsje van 500 m2. Als ze vrij waren, en later vanuit Zwolle, gingen ze erheen. Hele dagen was ze in de tuin bezig, enorm veel planten en bloemen had ze. Ook daar weer altijd logees. Maar kinderen en kleinkinderen hebben ook enorm van Voorthuizen genoten.

Zierikzee  
Met 65 jaar was ze matroos af en kochten ze een huis in Zwolle. Cor bleef nog wel varen. Daar hadden ze gelukkige jaren. Fijne buren en ze voelden zich thuis bij de kerk de VEZ. Op 72-jarige leeftijd overleed Cor plotseling. Een hele schok voor haar. Juist de laatste jaren hadden ze het zo goed samen. Maar met haar enorme levensmoed sloeg ze zich ook hier weer doorheen. Ging op vakantie met kinderen en vriendinnen, knapte het huis op en had weer een prachtig tuintje. Toen ze 87 was, een bejaardenhuis zag ze niet zitten, stelden haar kinderen voor dat ze naar Zierikzee zou komen, waar haar dochter woont. Ze dachten, dat doet ze nooit, weg uit haar buurtje en haar geliefde kerk. Maar ze deed het. Het werden acht fijne jaren. De kinderen konden bij haar binnenlopen of ze stond met haar rollator bij hen achter. Toen het niet meer ging en ze steeds vaker viel zonder op te kunnen staan, verhuisde ze naar Cleijenborch in Colijnsplaat, waar ze drie gelukkige jaren heeft doorgebracht. Van haar reserves voor een bejaardenhuis was al na een paar dagen niets meer over. Elke dag was ze in de huiskamer te vinden, waar ze de boel vermaakte met verhalen, grapjes, liedjes en niet te vergeten haar mondharmonica. Toen er een meneer kwam wonen met dezelfde professionele mondharmonica, speelden ze samen en iedereen zong de oude versjes mee. En wat een lieve medewerkers. Zoveel aandacht, humor en respect. Er werden altijd leuke dingen georganiseerd. Voetballen met een reuze bal bijvoorbeeld en dan enorme pret als die bal de trap af stuiterde. Ook draaiden ze voor haar walsen waar ze zo van hield en geestelijke liederen, waarmee ze altijd uit volle borst meezong.

Dat zingen deed ze tot de laatste dag. Ze had een bijna kinderlijk geloof. Ze wandelde met God, had ook geen schroom dat te uiten. De laatste maanden ging ze hard achteruit, maar tussendoor was ze toch weer haar vrolijke zelf. Heel vredig en vol vertrouwen is ze op 9 januari ingeslapen. Op haar begrafenis kwam zo’n beetje de hele familie en vriendenkring. Ze wordt door iedereen gemist; niet gek, ze was een lichtje voor velen!





Opmerkingen? Foutje gevonden?   Opmerkingen?
Meld het via het reactieformulier!