Hoogveen en laagveen


Het verhaal begint na de laatste ijstijd, wanneer het klimaat steeds warmer wordt en er een ruig landschap is ontstaan van moerassige laagtes en heuvels, geleidelijk begroeid met berken, eiken en dennen. Het wordt niet alleen warmer maar ook natter. Door het stijgen van de zeespiegel en de daarmee gepaard gaande stijging van het grondwater blijft in de lagere gebieden het water staan. De planten die in deze waterrijke gebieden groeien, vooral riet en zeggesoorten, sterven jaar in jaar uit af en de laagte wordt langzamerhand gevuld met dood organisch materiaal. Vertering van deze plantenresten gaat maar moeizaam vanwege het gebrek aan zuurstof. Er treedt een verarming op van het milieu omdat de voedingsstoffen in het organisch materiaal mee naar de bodem zakken. In die situatie krijgen de planten die in een voedselarm milieu kunnen leven de beste kansen en dat is bij uitstek het geval bij veenmos (Spaghnum).
Het veenmosdek wordt dikker en dikker omdat het veenmos bij goede temperatuur en voldoende water wel 50 cm per jaar kan groeien. Omdat ook het afgestorven veenmos in staat is water vast te houden sluit het de omgeving van de buitenlucht af. Door de afsluiting van zuurstof in combinatie met de lage zuurgraad stopt het rottingsproces van het afgestorven plantenmateriaal. Ondanks de geweldige groei per jaar is de toename aan veen slechts een centimeter per jaar doordat inklinking optreedt.

In eerste instantie is de veengroei afhankelijk van het voedselrijke grondwater, dit noemen we laagveen. Andere betitelingen zijn Hollandveen en oppervlaktewaterveen. Met het verschijnen van het veenmos raakt de groei afhankelijk van het voedselarme regenwater en dit noemen we hoogveen, ook wel veenmosveen of regenwaterveen.
In een natuurlijke situatie zal de laagveenvorming vaak vanzelf overgaan in een hoogveenvorming. Het veen hield het water vast als een spons en rees met een gemiddelde snelheid van 1 cm per jaar. Sommige hoogvenen, die wel duizend jaar oud zijn kwamen op een gegeven moment 10 meter boven het landschap uit. Dit natuurlijke hoogveen was een open en weids landschap waar goudplevieren, korhoenders en kraanvogels broedden. Door de natte en zure omstandigheden groeiden er bijna geen bomen en struiken. Toen de hoogvenen voor het afgraven van turf werden ontwaterd -in feite lek gestoken- verdroogden ze en zakten ze snel in: ze werden vele meters lager. Toen konden ook bomen in het veen gaan groeien, vooral berken en elzen. Tegenwoordig daalt het grondwaterpeil vooral door ontwatering van de omliggende weilanden en akkers en de drinkwaterwinning: hierdoor sijpelt het water uit het veen weg naar de omgeving. Aangroei van nieuw hoogveen vindt dan niet meer plaats.

Veenmos Voor de vorming van hoogveen is het veenmos een absolute voorwaarde. Om de vorming van hoogveen te kunnen begrijpen is het noodzakelijk iets te weten van het veenmos. Veenmos heeft een tweetal eigenschappen die het plantje uniek maakt:
  • De plant kan 10 tot 40 x zijn eigen gewicht aan water vasthouden; dit geldt niet alleen voor de levende cellen: ook de afgestorven cellen behouden hun structuur en zijn in staat water vast te houden.
  • Veenmos maakt zijn eigen milieu: het is in staat het milieu te verzuren tot een pH 3,5 (azijnzuur heeft een pH van ongeveer 4). Veenmos heeft geen wortelstelsel. Het voedsel moet via stengels en bladeren worden opgenomen.
In Nederland komen 29 soorten veenmos voor. Dit mos kan enorme hoeveelheden regenwater vast houden. Regenwater is altijd licht zuur maar deze mossen produceren zelf ook zuren waardoor de omgeving zo zuur wordt dat veel plantensoorten hier niet meer kunnen groeien. Soorten die hier nog tegen kunnen zijn Zonnedauw, Veenmosorchis, Kam- en moerasvaren, Kleien veenbes, Lavendelhei en Veenpluis.

Hoogveen
De foto's zijn met toestemming van de maker Hendrik van Kampen, overgenomen van de website: www.fryslansite.com Deze website is zeer de moeite waard!
Hoogveen komt in onontgonnen vorm in Nederland niet zo veel meer voor, alleen nog rond Schoonebeek in Drenthe en in de Groote Peel in Noord-Brabant, omdat een zeer groot deel in de 19e eeuw is afgegraven voor brandstofvoorziening.

Laagveen
Grote gebieden in Holland, Utrecht, Overijssel en Friesland noemen we laagveengebieden, maar feitelijk is hier sprake van verdronken hoogveen. Je kunt stellen dat de onderste laag van alle hoogveen bestaat uit laagveen.

Inklinking en oxidatie Veen bestaat grotendeels uit plantaardig materiaal. Zoals alle plantaardig materiaal verteert ook veen. Als het veen onder water staat, gaat dat verteren heel langzaam. Als de grond echter geschikt moet worden gemaakt voor agrarisch gebruik of voor woningbouw, moet de grondwater peil worden verlaagd. Dit heeft tot gevolg dat het plantaardig materiaal uitdroogt en daardoor oxideert. Gevolg: de bodem zakt, bodemdaling treedt op.
Ooit vormde het veen in Noord-Nederland veenbulten tot soms wel 10 meter hoog. Vrijwel het hele noorden van ons land lag onder een dikke deken van veen, ook het gebied van het tegenwoordige IJsselmeer.
Al in de Romeinse tijd vestigden zich de eerste mensen op de hoge venen. Alleen door het gebied te ontwateren kon het geschikt gemaakt worden voor bouwland en bewoning. Maar met het ontwateren begon ook het onomkeerbare proces van oxidatie en inklinking. De oxidatie en inklinking gingen zover door dat de venen opnieuw verdronken. De bewoners trokken weg en tegenwoordig worden dit laagveengebieden genoemd.
Het is nog steeds een groot probleem als voor de aanleg van wegen en spoorlijnen de waterstand wordt verlaagd, waardoor uiteindelijk enorme verzakkingen optreden. Een goed voorbeeld hiervan is Gouda waar door veenverzakkingen de gemeente zo erg op kosten wordt gejaagd dat het een artikel 12-status heeft moeten krijgen. Samenvattend Laagveen: In ondiepe plassen groeien verschillende soorten water- en moerasplanten. In het water zit meestal veel voedsel. In het najaar sterven de meeste planten af. De resten van deze planten verteren onder water nauwelijks. Ze hopen zich op totdat de hele plas opgevuld is. Dit wordt dan laagveen genoemd.
Hoogveen: De veenmosplantjes houden met hun stengels en bladeren veel water vast. Zo blijft hun groeiplaats kletsnat, ook als de mosjes langzaam hoger groeien. Veenmoskussens kunnen zo als natte deken steeds hoger en breder uitgroeien. De onderste delen sterven af maar deze verteren niet in het zure milieu : hoogveen.

Opmerkingen? Foutje gevonden?   Opmerkingen?
Meld het via het reactieformulier!
We hebben vroeger allemaal het verschil geleerd tussen hoogveen en laagveen. Maar deze begrippen vertellen niet het hele verhaal. Daarom deze korte toelichting die ik uit verschillende bronnen heb samengesteld.



Familieverhalen


Streekgeschiedenis


Wetenswaardigheden


Film & Video